Noorderlicht

In Groningen straalt een geheimzinnig, groen licht. Het stelt gerust, confronteert, intimideert en roept vragen op. Met zijn eerste museale soloproject Presence stelt Daan Roosegaarde de bezoeker, ons wereldbeeld en het museum zelf op de proef.

Prehistorische grotschilderingen in Altamira, een maanlandschap, het noorderlicht: associaties te over. Tegelijkertijd vormen de zalen die Daan Roosegaarde in het Groninger Museum onder handen nam een universum op zich. De tentoonstelling Presence draagt het onmiskenbare, helder oplichtende stempel van de kunstenaar, al is het maar omdat hij erin slaagt bezoeker en museum te ontregelen. Vergelijkingen met kindertekeningen dringen zich op, maar net zo goed met de schaduwen van vernietigde mensen op de straten van Hiroshima nadat de atoombom er viel. En waar te midden van die uitersten sta je als bezoeker zelf?

Presence is een speeltuin, aangelegd op een veldje waar wetenschap, design, technologie, schoonheid en verwondering elkaar raken en overlappen. In de zaal waar ontelbare oplichtende korrels – ‘sterrenstof’ noemt Roosegaarde het zelf – een grillig en steeds veranderend landschap vormen, spelen volwassen mensen als kinderen aan het strand. Windmachines langs de wanden blazen de lichte korrels tot kustlijnen, duinen, bergen en eilanden. Het is een ballenbak, waar de ballen klein zijn en degenen die erin spelen groot. Bezoekers gedragen zich niet zoals dat in een museum hoort. En dat is precies de bedoeling.

Veel moed hoefden de curatoren Sue-an van der Zijpp en Mark Wilson niet op te brengen om Roosegaarde uit te nodigen. Het Groninger Museum brengt vaker gewaagde tentoonstellingen van jonge en vooruitstrevende kunstenaars. Het kostte vooral moeite de ontwerper en innovator binnen de muren van hun museum te lokken. Vrijwel al zijn grote werken – van het Van Gogh-fietspad bij Nuenen en de blauwe golven van Waterlicht, tot de Lichtpoorten op de Afsluitdijk – integreerde hij in het landschap. Dit keer sleept hij het landschap het museum in. Een droomlandschap. De regels van een museum beklemmen hem. “Dus daar ben ik mee gaan spelen,” zegt Roosegaarde er zelf over. “Mensen gedragen zich als acteurs wanneer ze een museum binnen stappen, nemen de rol van bezoeker aan. Een beetje gewichtig meestal, beschouwend. Ik wilde geen bordjes op de muren, geen beeldschermen of beamers. Geen strenge suppoosten, ook. In deze expositie mag je alles aanraken. Sterker nog: dat moet. Als bezoeker ben je onderdeel van de expositie, je gaat er een interactie mee aan. Jouw aanwezigheid is een onmisbaar element. Je mòet wel uit je rol stappen.”

Uitgerekend in Groningen brengt een expositie de vaste grond onder je voeten in beweging.

Dat is precies wat Presence zo vervreemdend maakt. Een duistere ruimte waar lichtstralen over rechthoekige witte blokken glijden en alles fixeren wat op hun weg komt, geeft je het gevoel of je in een enorme kopieermachine bent beland. De afdruk van je handen, of je hele lijf, blijft duidelijk zichtbaar achter in de lichtgevoelige laag op het blok en op de vloer. In een lege zaal waar een geheimzinnige rode gloed hangt, is niets te zien. Tot er een licht flitst, een soort bliksem, en blijkt dat de vloer en de wanden van de zaal jouw aanwezigheid hebben vastgelegd. En toch. De schaduw van je lichaam is achtergebleven, maar niet vereeuwigd. Als het rode licht weer aan gaat, vervagen de beelden. Het is van eenzelfde beangstigende vluchtigheid als het landschap van sterrenstof, waar kustlijnen en eilanden onder je handen verwaaien. “Het is die vluchtigheid die je laat beseffen hoe kwetsbaar deze wereld is en hoe voorzichtig we ermee om moeten gaan,” stelt Roosegaarde.

Tijd verdampt, materie wordt vloeibaar, licht stolt. Een tentoonstelling in de klassieke zin is Presence niet. Er wordt geen werk te getoond dat zich laat aanschouwen. Kunst is het beslist, alleen al vanwege de vele manieren waarop bezoekers aan het denken worden gezet. Uitgerekend in Groningen brengt een expositie de vaste grond onder je voeten in beweging. Presence zet conventies en ideeën op losse schroeven. Het is een zinnenprikkelende ervaring die je met je hele lijf ondergaat. Een confrontatie met je eigen vergankelijkheid, met de vluchtigheid van het bestaan, met de vragen die dat oproept en de schoonheid die daarin verborgen ligt.

Containermeuk

Ik trek een brok piepschuim tussen zeekraal en kweldergras vandaan. Verpakkingsmateriaal, afgebroken van een groter stuk dat tijdens het transport een voorwerp moest beschermen. Dat laatste is niet gelukt, maar daar kan het piepschuim weinig aan doen. Misschien zat de ijskast er wel in verpakt waarvan ik luttele meters verder een deur opraap. De deur is te groot voor de vuilniszak die inmiddels bijna helemaal vol zit met stukken piepschuim, lappen ander verpakkingsspul, een stuk of twintig gloeilampen, zo’n bakje waarin je ijsblokjes kunt maken, een linkerschoen – damesmodel, maat 39 – plastic verpakkingen met daarin vacuümzakjes, nog meer piepschuim, een plastic slipper.

Tegen een rijsdam aan de rand van de kwelder dobberen twee gloeilampen, type led, als losgeslagen boeien van een heel klein vaargeultje. Ik pluk ze tussen het bruinige schuim vandaan, houd ze omhoog, en vraag me af waar ik naar kijk.

Ik begin zelden of nooit een artikel met ‘ik.’ Zelfs voor een zin bedenk ik doorgaans een meer charmante, minder egocentrische constructie. Zelden of nooit stel ik mijzelf meteen al te nadrukkelijk op de voorgrond. Vandaag is het anders.

Ik kijk naar het mat-witte plastic van de lampen en zie mijn eigen spilzucht erin weerspiegeld.

Ik kijk naar het mat-witte plastic van de lampen en zie mijn eigen spilzucht erin weerspiegeld. Ik ben mede-verantwoordelijk voor deze rotzooi. Dat ik hier tot over mijn enkels in de blubber wegzak, slijkspetters op mijn kleren, is niet meer dan terecht. Ik consumeer, ik bestel spullen online, ik heb een ijskast, dus ook ik heb deze bende veroorzaakt. En dan spreekt het voor zich dat ik meehelp met opruimen.

Even verderop loopt mijn jongste zoon. Hij ziet het houten krukje dat ik uit een vloedgeul trek. Om de zitting is met nietjes een pluizig omhulsel bevestigd dat eruit moet zien als schapenvacht. Een verdronken schaap. Ook als het niet doorweekt was zou ik er geen stuiver voor geven, maar zoonlief vindt het wel mooi voor op zijn kamer. We kunnen het laten drogen, stelt hij voor, en de modder eraf poetsen. Ik glimlach terug, wetend dat zijn moeder dat nooit goed gaat vinden.

Zijn moeder loopt honderd meter verder met onze oudste zoon en hun volle vuilniszakken terug naar de dijk. In de verte komt een goede vriendin van ons aan met nog een vuilniszak en een stuk drijfhout. We zompen door de kwelders van de Westpolder, in een oksel van de Ommelander Zeedijk. Normaal mogen we hier alleen het pad volgen dat stichting Het Groninger Landschap langs de kwelderrand heeft aangelegd. Vandaag gelden andere regels.

Een storm veroorzaakte aan dek van een vrachtschip een lawine van honderden containers, de inhoud ervan besmeurt de stranden van Waddeneilanden en de kusten van Groningen en Friesland. De storm treft geen blaam. De containers evenmin, dat zijn dode dingen, net als de meuk die erin zit. De kapitein, de reder, of wie maar de beslissing nam ondanks de storm uit te varen met een schip met twintigduizend containers aan boord mag zich dit aanrekenen, zonder twijfel. Of degenen die op het idee komen schepen te bouwen en te laten varen die twintigduizend containers kunnen vervoeren. Maar diegenen staan weer onder druk van de winkels, de markt, van degenen die vandaag bestellen en het morgen in huis willen hebben, van ons allemaal en dus ook van mij.

Door producten te kopen onderhoud ik een systeem dat dagelijks duizenden schepen vol containermeuk over de wereldzeeën jaagt, kwetsbare ecosystemen als het Waddengebied laat schampen of doorkruisen. Ik draai mee in de kringloop van wegwerpproducten, zelfs al doe ik mijn best mijn bijdrage tot het minimum te beperken. Eerder deze week hebben we de zolder opgeruimd. Gebruikte spullen in vuilniszakken gestopt die straks naar de vuilverbranding gaan. Er zat plastic kinderspeelgoed bij, spul van inferieure kwaliteit dat na twee keer spelen kapot was. Troep zoals nu op de Waddenstranden en -kwelders aanspoelt. Troep die in China liefdeloos in elkaar wordt geflanst, in zeecontainers hierheen wordt verscheept, in de troosteloze schappen van overbodige winkels belandt, op kinderfeestjes cadeau wordt gedaan door mensen die niet meer kunnen of willen besteden dan de veel te lage bedragen op de prijsstickers, troep die uiteindelijk na twee keer spelen kapot gaat en in een vuilniszak belandt. Doordat het overboord is geslagen, vallen uit deze keten van verspilling alleen de twee schakels van de winkelschappen en het kinderfeestje weg. In plaats daarvan ploeteren wij nu door het slijk van deze kwelder.

De buit bestaat voornamelijk uit nog meer piepschuim, lampen, vacuümzakjes. Twee identieke witte damessandalen met zilveren glitters, ook zonder slijk te lelijk om aan te trekken. Een linker en een rechter, allebei maat 41. Een klein wonder, maar niemand wordt er echt blij van. Duizenden, honderdduizenden korreltjes van plastic die tussen zeekraal en kweldergras blijven hangen, te klein en te talrijk om op te pakken, moesten we laten liggen.

Ik stop het niet terug in de vuilniszak maar neem het mee en spijker het op de schuur. Daar hangt het nu. Family.

Uit een van de vuilniszakken komt een houten kapstokje tevoorschijn. Het is gezaagd in de vorm van sierlijk bedoelde letters die een woord vormen. Family. Aan de achterkant zitten kleine haakjes om het mee op te hangen, aan de voorkant vier plastic knoppen. Zou ik het nieuw hebben gekocht, thuis in de gang aan de muur hebben geschroefd en er mijn winterjas aan hebben gehangen, dan zou of een van de haakjes, of de knop waaraan de jas het hebben begeven en kon het bij de eerstvolgende opruimronde de vuilniszak in.

Ik stop het niet terug in de vuilniszak maar neem het mee en spijker het op de schuur. Daar hangt het nu. Family. Om ons gezin eraan te herinneren dat we voortaan twee keer, drie keer nadenken voor we spullen kopen of bestellen. Om ervoor te zorgen dat we ons afvragen hoe het gemaakt is, waar het gemaakt is, hoe lang het mee zal gaan, hoe het verpakt en vervoerd is, of het ook anders kan. Of het geen containermeuk is.

Een klein beetje nadenken voor we op ‘bestellen’ klikken kan geen kwaad. Hebben we alles wat we willen echt nodig?

Wij?

Ik…

Ooit

Tien jaar geleden verscheen mijn gids Nederland – 1000 Plekken die je echt gezien moet hebben. In de tweede druk kon ik direct een van de plekken schrappen: sprookjespark Het Land van Ooit was failliet gegaan. Zou ik nu een herziene druk moeten maken, dan kwam het er misschien wel weer in te staan als het lemma ‘Ooit het Land van Ooit.’ Het terrein is tegenwoordig ingericht als wandelpark. Statige oude eiken en beuken, brugleuningen in fris blauw, sokkels zonder beelden, een nog altijd -waanzinnig- roze geschilderd kasteel en daartegenover een vijver waar Franse soldaten in verdwijnen. Surrealisme, en de schoonheid van verval.

Tillefonne

Tillefonne, zo heet het pad. Als een achteloos uitgerold snoer slingert het zich door de weilanden bij Workum. Een verbindingslijn tussen de stad en het handjevol boerderijen aan de voormalige zeedijk, het pad waarover men in vroeger dagen ter kerke ging. Als er berichten via de Tillefonne zijn overgebracht, dan was dat door boodschappers te voet.

De naam dateert uit 1650 en heeft niets te maken met hedendaagse vormen van communicatie. Lang voordat kabels en snoeren voor telefonie in gebruik raakten, brachten boeren hun kalveren naar een aparte weide. Zo’n weide heette een fonne, een tille is een bruggetje dat mensen en dieren over het water draagt. In een stad aan de overkant van de Zuiderzee zou het paadje de Kalverbrug kunnen heten. Maar de Tillefonne ligt bij het Friese Workum, begint in de steeg die de straatnaambordjes van Merk en Noard van elkaar gescheiden houdt.

Drie tegels breed wanneer het tussen huizen en tuinen door de stad uit sluipt, één tegel breed door het weideland. Schapen schieten weg wanneer ze het klaphek van een volgend wit bruggetje dicht horen vallen. Bij een blik over de schouder vult het silhouet van de Sint-Gertrudiskerk het beeld. De merkwaardige kolos, onvoltooid en volmaakt tegelijk, ligt als een oceaanreus afgemeerd aan de kade. Niet voor niets heet de romp van een kerk het schip. Het langgerekte middeleeuwse centrum van Workum grenst direct aan het weideland. De Tillefonne verbindt de twee. Het mooiste wandelpaadje van Friesland? Daar valt over te twisten. Maar zonder twijfel de mooiste manier om deze stad te verlaten of binnen te gaan.

 

De Tillefonne is onderdeel van het Elfstedenpad, de wandelroute van 305 kilometer lang die de Friese Elfsteden verbindt en die komend najaar officieel wordt geopend. Op dit moment werk ik aan de teksten voor de wandelgids.

 

 

Drachten in Stijl

In Utrecht staat het Rietveld-Schröderhuis, Drachten heeft sinds kort het Van Doesburg-Rinsemahuis. Drachten? Jawel. Het uit de kluiten gewassen Friese dorp – ondanks het inwonertal hoort het niet tot de Elf Steden – neemt in de 100-jarige geschiedenis van De Stijl een opvallende plaats in. Met dank aan twee schoenmakers, de broers Rinsema.

 

De kleuren blauw, geel en rood spatten van kozijnen, deuren en deurposten. Plaatselijk staat het bekend als de Papegaaienbuurt: het blok van zestien woningen aan de rand van het centrum van Drachten springt in het oog. Een van de huizen is sinds kort ingericht als museumwoning, met de kleurenschema’s die Theo van Doesburg maakte als leidraad.

Uiteindelijk werd Piet Mondriaan het gezicht van De Stijl, maar het was Theo van Doesburg die de basis legde. In 1917 verscheen op zijn initiatief het tijdschrift De Stijl en een jaar later was hij een van de oprichters van de kunstbeweging. Twee jaar eerder had hij, als dienstplichtig sergeant in het gemobiliseerde leger, in Noord-Brabant schoenmaker Evert Rinsema uit Drachten ontmoet. Rinsema las en schreef poëzie en raakte bevriend met Van Doesburg, een vriendschap voor het leven. Ook de broer van Evert, Thijs Rinsema, had artistiek talent. Hij schilderde en ontwierp meubels. De broers werden gegrepen door de ideeën van Van Doesburg, die regelmatig in Drachten op bezoek ging. Het kunstenaarsbestaan was hen echter te onzeker, ze bleven schoenen maken om de kost te verdienen. Ondertussen groeide het bescheiden turfstekersdorp Drachten steeds verder uit. Via de broers Rinsema kwam Theo van Doesburg in contact met gemeentearchitect Cees Rienks de Boer. De rest is geschiedenis.

In Museum Dr8888 komt de bijzondere vriendschap van de plaatselijke schoenmakers met de beroemde kunstenaar tot leven. In de gereconstrueerde werkplaats van Thijs Rinsema – in primaire kleuren, dat spreekt voor zich – hangen zijn werken aan de wand en staan meubels die hij maakte. Schilderijen, maquettes en kleurontwerpen van Van Doesburg zijn er te zien. Maar ook buiten de museummuren is De Stijl prominent aanwezig.

Het plan van Van Doesburg voor een huizenblok met witgepleisterde woningen strandde, Drachten was er nog niet klaar voor. De kleuroplossingen die hij voorstelde werden wel toegepast en zo veranderde een rijtje doorsnee woningen in een wonderlijk compromis. De Papegaaienbuurt. Lange tijd leidde het kleurrijke huizenblok een kwijnend bestaan. Pas in 1988 kwamen de kleuren terug op het houtwerk aan de buitenzijde. Primaire kleuren voor de woonhuizen, de secundaire kleuren oranje, groen en paars op de ertegenover gelegen Landbouwschool. Pronkstuk van dat pand zijn de glas-in-lood-ramen die Van Doesburg ontwierp. Na zeer grondig onderzoek en studie ziet in een van de woningen nu dus ook het interieur eruit zoals Van Doesburg het voor ogen had. Vooralsnog is alleen de woonkamer voltooid, later dit jaar volgt de rest van het huis.

Het resultaat is verbluffend. Akkoord, het is niet de sensatie van het Rietveld-Schröderhuis met schuivende wanden en wisselende lichtinval, maar het Van Doesburg-Rinsemahuis doet iets met je. Ik nam er een kijkje tijdens een presentatie met vertegenwoordigers van de internationale pers. Het voelde alsof we met het gezelschap een tempel betraden. In stille bewondering schreden we door de kamer. Van vloer tot plafond, van kasten tot schuifdeuren, alles is er in balans. Naar verluidt was Van Doesburg onder de indruk van de verschrikkelijke verhalen die Belgische vluchtelingen tijdens zijn mobilisatietijd vertelden over de wreedheden van de Eerste Wereldoorlog. Met zijn harmonieuze kleurontwerpen wilde hij op zijn manier een bijdrage leveren aan de wereldvrede. Het mag naïef klinken, maar in de woonkamer van Torenstraat 3 in Drachten lijkt dat ideaal een heel klein stapje dichterbij te komen.

Een bezoek aan het Van Doesburg-Rinsemahuis is vanaf 7 juni onderdeel van de stadswandeling vanuit Museum Dr8888. Het is ook al mogelijk virtueel een kijkje in het huis te nemen met de speciaal ontwikkelde 3D-app.

Westerbork

De menIMG_9580s is zowel tot de knapste als tot de vreselijkste dingen in staat. In Kamp Westerbork scheidt slechts een prikkeldraadhekje de twee uitersten. Lees hier de reportage uit dagblad Trouw: “Waar is de speeltuin?”

 

 

 

Lezing F&W-beurs

flip-lezingNa vele edities in de Amsterdamse RAI slaat de Fiets- en Wandelbeurs dit jaar voor het eerst de tenten op in Utrecht. De Jaarbeurs vormt het nieuwe decor.

Wat blijft is een boordevol en interessant lezingenprogramma. Zowel op zaterdag 20 februari als op zondag 21 februari houdt Flip om 14:00 uur zijn lezing ‘Jacobus Craandijk in 10 stappen.’  Vanzelfsprekend verkoopt (en signeert) hij aansluitend de wandelgids Een’ koeken dagmarsch. 

Fiets en Wandelbeurs logo

Jacobus Craandijk in 10 stappen

Tijdens de presentatie van de wandelgids Een’ kloeken dagmarsch, op 6 juni in Haarlem, beleeft de lezing Jacobus Craandijk in 10 stappen zijn première. Wie was Craandijk eigenlijk? Waarom speelde deze ‘wandelende dominee’ een sleutelrol bij de opkomst van het wandeltoerisme in Nederland? En hoe verhouden de verslagen van Craandijk zich tot de hedendaagse wandelwerkelijkheid?

lezing JC

Een ontdekkingsreis in wandeltempo door leven en werk van de eerste echte wandelaar van Nederland.

Boeken? Mail: flip@flipvandoorn.nl 

Presentatie wandelgids

Elf pittige voettochten maakte Flip in het spoor van zijn illustere oudoom Jacobus Craandijk. Ze staan beschreven in de wandelgids Een’ kloeken Dagmarsch die dit voorjaar verschijnt. Op 6 juni presenteert uitgeverij Gegarandeerd Onregelmatig de gids in de doopsgezinde kerk in Haarlem, de kerk waar Craandijk predikant was.

presentatie

Voorafgaand aan de presentatie is er om 14:00 uur een wandeling door het Haarlem van Craandijk (beperkt aantal plaatsen)

Om 15:00 uur begint het programma met een lezing door auteur Flip van Doorn, de uitreiking van het eerste exemplaar aan een zeer speciale gast en een borrel na afloop.

Wil je erbij zijn? Stuur even een mailtje: flip@flipvandoorn.nl