Verloren voetstappen

Wandel ik van Norg naar het dorpje Een en verder het neusje van Drenthe in, dan zie ik weideland en akkers aan weerszijden van de weg. Ontgonnen veengebieden. Vlak voor Een-West ligt de fraai herstelde Zwartendijksterschans, als een merkwaardig puzzelstukje in de velden neergeploft. Twee kilometer verder markeert de Landweer, een middeleeuwse verdedigingswal, de provinciegrens. Aan de voet ervan staat een zwart-wit gestreept grenspaaltje. Net als de schans is de aarden wal van honderden meters lang een mooi cultuurhistorisch monument in het landschap, maar mijn doel ligt iets verder, op Fries grondgebied.

Een pad over de heide van Allardsoog. Formeel mag het in Friesland liggen, het terrein is Drents van karakter. Zandgrond, een golvend heideveld. Een klaphekje, dan een vriendelijk slingerend paadje tussen de bomen. Op het punt waar het pad naar links afbuigt, zich aan de schaduw van de bladerkronen onttrekt, krijgt het een ander karakter. Hier is het breed en ligt het in het terrein verzonken, met aan beide zijden een hoge wal.

IMG_0627

 

Verbijsterd, verbluft vervolg ik mijn weg.

Ik ben alleen, maar maak ondertussen deel uit van een ongekende massa.

Dit is een holle weg. Duizenden, honderdduizenden, miljoenen voeten sleten het pad uit tot het zichtbaar lager kwam te liggen dan de belendende heide. Duizenden, honderdduizenden, miljoenen voeten vertrapten elk sprietje dat hier de kop opstak, hielden het zandspoor open. De wind nam het rulle zand mee, blies het naar de kanten. Nieuwe groepen lopers diepten het spoor verder uit, verbreedden het. Mannen met zeisen over de schouders, met rieten manden vol handelswaar, later met karren en wagens.

Nergens eerder trad ik zo nadrukkelijk, zo zichtbaar in de voetsporen van anderen. Tot op de leemlaag, zo’n anderhalve meter lager dan de heidestruiken aan weerszijden, sleten al die ontelbare voeten dit pad uit. Als druppels die een steen uithollen kerfden ze hun spoor in de bodem.

Een litteken.

Onuitwisbaar.

Welbeschouwd is het geen pad, maar het tegendeel ervan. Een negatief. Een kras in een etsplaat.

Het is de idee van een pad, de herinnering aan een pad die als een geest boven de lemen bodem zweeft.

Voortstappend, met beide voeten beurtelings stevig op de grond, waad ik door een onzichtbare, ongrijpbare massa van anderhalve meter hoog. Van mijn voeten tot mijn schouders liggen de herinneringen aan verwaaide voetafdrukken opgestapeld. Zoals de turfarbeiders in deze omgeving het land afgroeven, de horizon anderhalve meter naar beneden haalden en hun turven op grote stapels te drogen legden, zo sleten de voetreizigers met elke stap die ze zetten dit pad dieper uit tot alleen een dik pakket van verloren voetstappen overbleef.

 

*Dit is een fragment uit De eerste wandelaar, het boek over wandelpionier Jacobus Craandijk en de geschiedenis van het wandelen, dat in 2017 verschijnt bij uitgeverij Thomas Rap.

Boekweit

Maïs. Die vermaledijde maïs. Waar ik maar kijk en manshoog. En dat terwijl ik op zoek ben naar boekweit. Een mooi, oud gewas, boekweit. Ooit kwamen Amsterdammers aan het einde van de zomer naar het Gooi om de weelde van de bloeiende akkers te zien. Vier gouden boekweitkorrels op een staalblauw veld sieren van oudsher het wapen van Hilversum, dat van Bussum telt er zelfs vijf.

Tot 1900 nam besloeg de boekweit alleen al in het Gooi meer dan een derde van het landbouwareaal, in goede tijden zelfs meer dan de helft. Het gedijde goed op de schrale zandgrond. Inmiddels is het gewas vrijwel helemaal van de Nederlandse akkers verdwenen.

Op de Naardereng, tussen HIMG_7128uizen en Naarden, zou nog wel een veldje boekweit te vinden zijn, zo heb ik mij laten vertellen. Glooiende akkers tussen plukjes bos. Kleinschalig, nostalgisch landschap waarover het Goois Natuurreservaat de scepter zwaait. Maar mijn wandeling draait uit op een teleurstelling. Hier en daar een groen weiland, een paar akkers waar het graan al is geoogst en verder maïs. En nog meer maïs. Muren van maïs. Dat is misschien wel het vervelendste. Ik kan er niet overheen kijken. Wanneer ik wandel wil ik kunnen zien waar ik ben, in wat voor gebied ik mij bevind. Het is steeds weer die vermaledijde maïs die me van het uitzicht berooft.

Het wapen van Hilversum in zakformaat.

Een hekel heb aan maïs heb ik niet. Op zich. Graag mag ik een maiskolf afkluiven, een zak nacho chips is in een oogwenk leeg. Hier en daar een strookje maïs vind ik werkelijk geen bezwaar. Wat me tegen de borst stuit zijn de ongelooflijke hoeveelheden die bezit hebben genomen van het Nederlandse landschap. Een uitwas van de intensieve veeteelt. Bijna alle snijmaïs verdwijnt in de hakselaar om vervolgens ingekuild te worden. Daar komt bij dat die maïs hier helemaal niet hoort. Het is een tropisch gewas.

Nee, dan de boekweit. Mijn zoektocht krijgt toch zijn beloning, aan de voet van het uitzichtpunt op de Eukenberg. Een paar stappen verder de oever van het Gooimeer, dat nog Zuiderzee heette in de tijd dat de boekweit hier gemeengoed was. In een veldje is een strook ingezaaid.

Witte en roze bloempjes dansen in de zomerbries. Rode stengels contrasteren mooi met groen blad. Sommige planten dragen al kleine, donkerbruine vruchtjes. Ik pluk er een paar, pel het velletje eraf. In mijn handpalm liggen vier gave, blanke korreltjes. Het wapen van Hilversum in zakformaat. Boekweit is geen graan, de korrels kan ik zo tussen duim en wijsvinger fijnwrijven.

Op de Aardjesberg, aan de rand van de Westerheide bij Hilversum, tref ik nog een boekweitakker. Ook van het Goois Natuurreservaat, ook in volle bloei. Er staat een hek omheen. Hangend over het hek bekijk ik het schamele restant van deze Gooise weelde. Met de boekweit bloeit ook de heide. Daar is nog genoeg van, dat wel.

Een man die voorbijloopt roept me toe dat het een mooi veldje is. Goed voor de vlinders, en voor de reeën. Een groep van wel twintig vogeltjes schrikt op uit het veld en vliegt weg. Ik zie lieveheersbeestjes over bladeren lopen, bijen van bloem naar bloem zoemen. Mijn laatste boterham met boekweithoning is lang geleden. 


IMG_7109Wanneer ik me in de boekweit verdiep, ontdek ik dat de de naam naar de beuk verwijst. De boekweitkorrel heeft dezelfde vorm als een beukennootje, vandaar. Maar ook blijkt de boekweit een exoot. Net als de maïs. Lang geleden naar deze contreien gehaald vanuit China, of het nabije Oosten.

De boekweit die zo’n stempel op het Gooi drukte blijkt geen haar beter dan de maïs. Een opdringerige, allesoverheersende exoot. En kijk nu. Zonder het Goois Natuurreservaat zou er waarschijnlijk in het hele Gooi geen boekweit meer te vinden zijn. Dat biedt dan wel weer de hoop dat het ook de maïs zo zal vergaan. Alleen hier en daar een veldje, in stand gehouden door een natuurbeschermingsorganisatie die ons een glimp wil tonen van de landbouw van vroeger. Ik kan niet wachten.

184

Felle kleuren, harde geluiden, opwinding alom. Het circus is in de stad. Een stad verderop, om precies te zijn, ons stadje moet zich tevreden stellen met een snelle passage. Ook mooi. De motoragenten, de wagens van de organisatie, nog meer motoragenten en dan uiteindelijk zes gekleurde stipjes in de verte.

Wielrenners. De helden van dit reizende circus. Zes coureurs waarvan de namen me niets zeggen, maar die de moeite nemen een uitvalspoging te wagen en als eersten langs IJlst te rijden. Zeven minuten later volgt het peloton. Ik doe mijn best, maar herken in de voorbijrazende massa helemaal niemand.

Dat lukt pas als de voorstelling is afgelopen en de renners aan het einde van de finishstraat de bussen van hun ploegen opzoeken. Daar is Maarten Tjallingii. Een tevreden glimlach speelt om zijn lippen. Hij heeft kilometers lang dwars door de wind heen op kop mogen beuken in de provincie waar hij werd geboren. Waar hij misschien wel opgroeide, zo goed ken ik hem ook weer niet. Winst of verlies lijken bijzaak. Zo’n renner voor wie het plezier in het fietsen de drijfveer is.

Zoekend kijkt hij om zich heen, alsof hij iemand kwijt is.

Aan mijn hand een jongetje dat het spektakel met grote ogen in zich opneemt. Hij draagt de bolletjestrui die we nog geen week eerder in een supermarkt in de Pyreneeën hebben gekocht. Twee stappen verder zijn broer, blocnote in de hand, op zoek naar de rood-wit-blauwe trui van Niki Terpstra en de bijbehorende handtekening.

Als papa thuis wielrennen zit te kijken haakt hij meestal af. Het duurt hem te lang. Zo in het echt is het een stuk minder saai. Zijn broertje blijft wel vaak meekijken. Toen de mannen hoorden dat de eerste etappe van de Eneco Tour in Bolsward zou finishen, wilden ze er beslist bij zijn.

Zo begon het voor mij ook. Elk jaar streek het circus bij ons in het dorp neer. De Ronde van Kortenhoef. Nauwelijks een week na zijn tourzege reed Joop Zoetemelk in het geel pal voor onze deur langs. Het wielervirus sloeg met speels gemak over. Zijn handtekening bewaar ik nog steeds in een map op zolder.

Mijn jongens zijn op jacht naar bidons. Souvenirs, relieken, tastbare bewijzen dat ze erbij waren. De handtekening van Niki.

Lars Boom fietst voorbij. Ik zie dat zijn bidon nog in de houder zit, wijs op mijn jongens en vraag of hij hem wil afstaan. Hij mompelt nurks iets met ‘nog nodig’ en is dan verdwenen. Zijn ambities harmoniëren duidelijk niet met zijn plek in de rituitslag van vandaag.

IMG_0524In het gewoel valt mijn oog op een renner, blonde lokken, oranje tricot, bidon in de hand. Team Roompot, een kleinere Nederlandse ploeg. Zoekend kijkt hij om zich heen, alsof hij iemand kwijt is. Dan ziet hij mijn jongens. Hij houdt de bidon vragend omhoog. Ik knik en pluk twee tellen later het plastic flesje uit de lucht. Twee jongetjes blij, ik geloof dat de renner mijn opgestoken duim nog ziet. Zijn rugnummer is 184. Geen idee hoe hij heet, maar hij lijkt plezier te hebben in zijn sport. En hij verstaat de kunst dat plezier over te brengen. Gewoon, met een bidon.

Rugnummer 184 hoort bij Huub Duijn, zo zie ik later in de deelnemerslijst. Een paar mooie ereplaatsen, doet aan baanwielrennen. En vader van een jongetje van een paar maanden oud. Dat zal ook schelen.

Hoewel ze geen handtekening hebben gescoord, gaan mijn jongens tevreden naar huis. Allebei houden ze stevig de bidon vast die ze kregen van een verzorger, de bidon van Niki Terpstra. Maar die renner met die oranje trui was ook heel aardig.

Denk je dat ik een racefiets mag hebben?” klinkt het even later. Het is de jongste. Hij wil geen wedstrijden rijden, dat lijkt hem te gevaarlijk. Maar het fietsen vindt hij zo leuk.

Het wielervirus is overgeslagen. Het plezier in het fietsen. De kiem is gelegd. Van mij mag hij een racefiets hebben. Dan vul ik persoonlijk die oranje bidon voor hem en plaats die in de houder. En dan krijgt hij rugnummer 184.