184

Felle kleuren, harde geluiden, opwinding alom. Het circus is in de stad. Een stad verderop, om precies te zijn, ons stadje moet zich tevreden stellen met een snelle passage. Ook mooi. De motoragenten, de wagens van de organisatie, nog meer motoragenten en dan uiteindelijk zes gekleurde stipjes in de verte.

Wielrenners. De helden van dit reizende circus. Zes coureurs waarvan de namen me niets zeggen, maar die de moeite nemen een uitvalspoging te wagen en als eersten langs IJlst te rijden. Zeven minuten later volgt het peloton. Ik doe mijn best, maar herken in de voorbijrazende massa helemaal niemand.

Dat lukt pas als de voorstelling is afgelopen en de renners aan het einde van de finishstraat de bussen van hun ploegen opzoeken. Daar is Maarten Tjallingii. Een tevreden glimlach speelt om zijn lippen. Hij heeft kilometers lang dwars door de wind heen op kop mogen beuken in de provincie waar hij werd geboren. Waar hij misschien wel opgroeide, zo goed ken ik hem ook weer niet. Winst of verlies lijken bijzaak. Zo’n renner voor wie het plezier in het fietsen de drijfveer is.

Zoekend kijkt hij om zich heen, alsof hij iemand kwijt is.

Aan mijn hand een jongetje dat het spektakel met grote ogen in zich opneemt. Hij draagt de bolletjestrui die we nog geen week eerder in een supermarkt in de Pyreneeën hebben gekocht. Twee stappen verder zijn broer, blocnote in de hand, op zoek naar de rood-wit-blauwe trui van Niki Terpstra en de bijbehorende handtekening.

Als papa thuis wielrennen zit te kijken haakt hij meestal af. Het duurt hem te lang. Zo in het echt is het een stuk minder saai. Zijn broertje blijft wel vaak meekijken. Toen de mannen hoorden dat de eerste etappe van de Eneco Tour in Bolsward zou finishen, wilden ze er beslist bij zijn.

Zo begon het voor mij ook. Elk jaar streek het circus bij ons in het dorp neer. De Ronde van Kortenhoef. Nauwelijks een week na zijn tourzege reed Joop Zoetemelk in het geel pal voor onze deur langs. Het wielervirus sloeg met speels gemak over. Zijn handtekening bewaar ik nog steeds in een map op zolder.

Mijn jongens zijn op jacht naar bidons. Souvenirs, relieken, tastbare bewijzen dat ze erbij waren. De handtekening van Niki.

Lars Boom fietst voorbij. Ik zie dat zijn bidon nog in de houder zit, wijs op mijn jongens en vraag of hij hem wil afstaan. Hij mompelt nurks iets met ‘nog nodig’ en is dan verdwenen. Zijn ambities harmoniëren duidelijk niet met zijn plek in de rituitslag van vandaag.

IMG_0524In het gewoel valt mijn oog op een renner, blonde lokken, oranje tricot, bidon in de hand. Team Roompot, een kleinere Nederlandse ploeg. Zoekend kijkt hij om zich heen, alsof hij iemand kwijt is. Dan ziet hij mijn jongens. Hij houdt de bidon vragend omhoog. Ik knik en pluk twee tellen later het plastic flesje uit de lucht. Twee jongetjes blij, ik geloof dat de renner mijn opgestoken duim nog ziet. Zijn rugnummer is 184. Geen idee hoe hij heet, maar hij lijkt plezier te hebben in zijn sport. En hij verstaat de kunst dat plezier over te brengen. Gewoon, met een bidon.

Rugnummer 184 hoort bij Huub Duijn, zo zie ik later in de deelnemerslijst. Een paar mooie ereplaatsen, doet aan baanwielrennen. En vader van een jongetje van een paar maanden oud. Dat zal ook schelen.

Hoewel ze geen handtekening hebben gescoord, gaan mijn jongens tevreden naar huis. Allebei houden ze stevig de bidon vast die ze kregen van een verzorger, de bidon van Niki Terpstra. Maar die renner met die oranje trui was ook heel aardig.

Denk je dat ik een racefiets mag hebben?” klinkt het even later. Het is de jongste. Hij wil geen wedstrijden rijden, dat lijkt hem te gevaarlijk. Maar het fietsen vindt hij zo leuk.

Het wielervirus is overgeslagen. Het plezier in het fietsen. De kiem is gelegd. Van mij mag hij een racefiets hebben. Dan vul ik persoonlijk die oranje bidon voor hem en plaats die in de houder. En dan krijgt hij rugnummer 184.

Flip Van Doorn

Flip notuleert.